Home   Jurisprudentie @ctueel JWB Rechtspraak Wetgeving @ctueel Informatie

Samenvatting

Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2012-396
   
Instantie: HR 10 augustus 2012, BW5867, 11/04548
Onderwerp: Familierecht; partneralimentatie, wijziging, schending hoor en wederhoor
Artikelen: Art. 1:157 BW & artikel 24 Rv
   
Casus: Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. De rechter heeft ten behoeve van de vrouw partneralimentatie vastgesteld € 2.700,- per maand.
De man verzoekt de Rechtbank om wijziging van het alimentatiebedrag. Bij beschikking van 25 januari 2008 bepaalt de Rechtbank de onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2006 op nihil. In hoger beroep vernietigt het Hof de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de man alsnog af. In cassatie wordt door de Hoge Raad de beschikking van het Hof vernietigt en wordt het geding terugverwezen. Het Hof beslist vervolgens dat de onderhoudsbijdrage van € 2.700,- per maand nog steeds in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het vernietigt daarom de beschikking van 25 januari 2008 en wijst het verzoek van de man af. Daarbij gaat het Hof uit van de inkomensgegevens die in een beschikking uit 2003 als uitgangspunt waren genomen. Deze beschikking betrof door de vrouw verzochte voorlopige voorzieningen.
De man stelt cassatieberoep in. Hij klaagt dat het Hof art. 24 Rv. en het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door bij zijn beoordeling uit te gaan van gegevens die door partijen in de onderhavige wijzigingsprocedure noch vóór de verwijzingsbeschikking van de Hoge Raad noch daarna zijn overgelegd.

   
Rechtsvraag: Heeft de rechter zich schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en daarmee artikel 24 Rv en het beginsel van hoor en wederhoor geschonden?
   
Beslissing: De klacht slaagt. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat ingevolge art. 149 lid 1 Rv. - welke bepaling ook van toepassing is in verzoekschriftprocedures - de rechter slechts, voor zover thans van belang, die feiten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen die "in het geding" aan hem ter kennis zijn gekomen. Bij beantwoording van de vraag of het Hof in de onderhavige wijzigingsprocedure mocht uitgaan van de inkomensgegevens zoals vermeld in de in de echtscheidingsprocedure overgelegde draagkrachtberekening, is van belang dat de wijzigingsprocedure een andere procedure is dan de echtscheidingsprocedure (vgl. HR 12 mei 2006, LJN AV8720, NJ 2006/293). Met het oog op onder meer het beginsel van hoor en wederhoor dient voor de rechter en voor partijen duidelijk te zijn welke stukken behoren tot de gedingstukken in de desbetreffende procedure. Dit brengt mee dat processtukken die in de ene procedure zijn overgelegd, eerst dan kunnen worden gerekend tot de stukken van het geding in de andere procedure, indien zij in laatstbedoelde procedure in het geding zijn gebracht. Nu in de onderhavige wijzigingsprocedure de draagkrachtberekening niet op deze wijze is gaan behoren tot de gedingstukken, terwijl de daarin vermelde inkomensgegevens ook niet door een der partijen aan hun verzoek of verweer ten grondslag zijn gelegd, heeft het Hof art. 24 Rv. en het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door zijn beslissing te baseren op de in die draagkrachtberekening vermelde inkomensgegevens. (ro 3.3.2)

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking.


   
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

 

 

Copyright Footer