Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2012-346 |
| |
|
| Instantie: |
HR 13 juli 2012, BX1304, 12/00617 |
| Onderwerp: |
Familierecht; machtiging tot uithuisplaatsing |
| Artikelen: |
Art. 81 RO |
| |
|
| Casus: |
Een jeugdige is in 2002 gediagnosticeerd met ADHD en een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. Vanaf 2005 is hulpverlening voor hem ingezet en sinds 2008 is hij onder toezicht gesteld. Sinds 2009 verblijft hij in instellingen van jeugdzorg. Hij vertoont ernstig agressief gedrag. Op 13 januari 2010 verzoekt Bureau Jeugdzorg aan de Rechtbank om ondertoezichtstelling van de jeugdige met één jaar te verlengen en opnieuw een machtiging te geven tot uithuisplaatsing van de jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Bij beschikking van 25 februari 2010 verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling tot 1 april 2011 en verleent een machtiging voor het tijdvak van 25 februari 2010 tot 24 maart 2010. Voor het overige wordt de behandeling van het verzoek aangehouden, zodat Bureau Jeugdzorg in de gelegenheid wordt gesteld een gemotiveerd standpunt in te nemen over de vraag of zij een nieuw diagnostisch onderzoek noodzakelijk achtte. Bij beschikking van 23 maart 2010 verleent de kinderrechter vervolgens een machtiging voor het tijdvak van 24 maart 2010 tot 1 april 2010 en het tijdvak van 1 april 2010 tot 1 oktober 2010. Voor het overige heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen terechtzitting. De jeugdige stelt tegen beide beschikkingen hoger beroep in. Bij beschikking van 18 augustus 2010 (LJN: BN5630) bekrachtigt het Hof de bestreden beschikkingen. In cassatie vernietigt de Hoge Raad echter de beschikking van het Hof. Na verwijzing bekrachtigt het Hof opnieuw de bestreden beschikkingen. De jeugdige stelt cassatieberoep in. Onder andere wordt geklaagd over het oordeel van het Hof waarin de stelling wordt verworpen dat de machtiging tot plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg in strijd is met de artikelen 3, 6 en 20 van het Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK), omdat hij gedurende zijn plaatsing geen individuele, specifiek op zijn problematiek gerichte therapie heeft gehad. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Heeft het Hof miskend dat een plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg mede de behandeling van de jeugdige tot doel heeft? |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (r.o. 3.).
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep.
|
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|