Home   Jurisprudentie @ctueel JWB Rechtspraak Wetgeving @ctueel Informatie

Samenvatting

Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2012-335
   
Instantie: HR 29 juni 2012, BW1288, 11/01758
Onderwerp: VerbintenissenrechtUitleg stamrechtovereenkomstVerrekening prepensioenuitkeringen met stamrechtpolis
Artikelen: Artikel 11 lid 1 onder e Wet op de loonbelasting 1964
   
Casus: Verweerder in cassatie is in 1998 als algemeen en statutair directeur in dienst getreden bij eiseressen tot cassatie. Omdat onduidelijk was of verweerder in cassatie na het einde van het dienstverband aanspraak zou hebben op een VUT- of prepensioenuitkering, hebben partijen op 27 juli 2000 een stamrechtovereenkomst als bedoeld in destijds artikel 11 lid 1 letter e van de Wet op de Loonbelasting 1964 gesloten. De stamrechtovereenkomst is tot stand gekomen na uitvoerige onderhandelingen waarbij deskundigen, waaronder een pensioenadviseur, zijn ingeschakeld om te adviseren. Het dienstverband is per 31 december 2004 beëindigd (verweerder in cassatie was toen 60,5 jaar).

In verband met het einde van het dienstverband zijn tussen partijen een aantal geschilpunten gerezen. Verweerder in cassatie heeft in 2005 eiseressen tot cassatie gedagvaard voor de rechtbank, en onder nakoming van de stamrechtovereenkomst gevorderd. De rechtbank heeft de vorderingen ter zake van de stamrechtovereenkomst afgewezen. Het hof heeft onder meer geoordeeld dat een redelijke uitleg van de stamrechtovereenkomst tot de conclusie leidt dat alleen over de jaren dat verweerder in cassatie recht had op een bijdrage van eiseressen tot cassatie, de VUT-uitkeringen dienen te worden verrekend met de voor die jaren door eiseressen tot cassatie gedane premiestortingen op de stamrechtpolis. Tegen het arrest van het hof hebben eiseressen tot cassatie beroep in cassatie ingesteld.
   
Rechtsvraag: Dienen de VUT-uitkeringen te worden verrekend met de voor die jaren door eiseressen tot cassatie gedane premiestortingen op de stamrechtpolis?
   
Beslissing: De Hoge Raad is van mening dat het oordeel van het hof, dat de door verweerder in cassatie ontvangen prepensioenuitkeringen over de jaren 1999, 2000 en 2001 in mindering dienen te worden gebracht op het (afkoop)bedrag van de polis, onbegrijpelijk is. In de genoemde jaren was verweerder in cassatie nog bij eiseressen tot cassatie in dienst en heeft hij derhalve (nog) geen prepensioenuitkeringen genoten. Het hof heeft daarbij miskend dat de VUT- of prepensioenuitkeringen pas zouden worden genoten in een latere fase dan die waarin eiseressen tot cassatie bijdragen stortte (r.o. 3.2.2).

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar het hof ter verdere behandeling en beslissing.

De conclusie van de A-G strekt tot verwerping.
   
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

 

 

Copyright Footer