Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2012-334 |
| |
|
| Instantie: |
HR 29 juni 2012, BW1259, 11/03527 |
| Onderwerp: |
Schorsing tenuitvoerlegging dwangsom, verjaring dwangsom |
| Artikelen: |
Art. 438 lid 2 Rv, art. 611g lid 2 Rv |
| |
|
| Casus: |
Een hof heeft op verzoek van de verweerster in cassatie bij een beschikking de eiseres tot cassatie een bepaalde handelsnaam te voeren en haar veroordeeld tot betaling van een dwangsom voor iedere dag dat zij in gebreke zal zijn aan deze beslissing te voldoen. De verweerster in cassatie heeft de naar haar mening verbeurde dwangsommen opgeëist. De kantonrechter heeft in een kort geding op verzoek van de eiseres tot cassatie de executie van de beschikking geschorst totdat over het al dan niet verbeuren van de dwangsommen in een bodemprocedure zal zijn beslist. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
In cassatie staat de vraag centraal of een beslissing in een kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging van verbeurde dwangsommen een wettelijk beletsel voor de dwangsommen vormt. |
| |
|
| Beslissing: |
De rechtbank heeft geoordeeld dat het vonnis van de kantonrechter niet een wettelijk beletsel in de zin van art. 611g Rv oplevert en dat de dwangsomvordering is verjaard. Het hof heeft geoordeeld dat de dwangsommen niet zijn verjaard. De Hoge Raad overweegt dat de een schorsing van de tenuitvoerlegging van verbeurde dwangsommen op de voet van art. 438 Rv vormt een wettelijk beletsel in de zin van art. 611g lid 2 Rv. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|