Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2012-329 |
| |
|
| Instantie: |
HR 29 juni 2012, BW9769, 10/05187 |
| Onderwerp: |
Aflossing hypotheek geen kosten huishouding en op basis van objectieve maatstaf ook geen voldoening natuurlijke verbintenis |
| Artikelen: |
Art. 1:84 BW |
| |
|
| Casus: |
Het huwelijk van partijen is in 2008 ontbonden. De huwelijkse voorwaarden bepalen dat de kosten der huishouding ten laste van de man zijn. De levensverzekering van de man is eind 2006 tot uitkering gekomen en daarmee is hypotheek op de in 1979 gekochte gezamenlijke woning afgelost. De woning is na de scheiding aan de vrouw toebedeeld.
De man vordert de helft van het bedrag waarmee hij eind 2006 de hypotheek heeft afgelost van de vrouw. De vrouw stelt (i) dat de door de man betaalde aflossingen en premies zijn aan te merken als kosten der huishouding zoals bedoeld in de huwelijkse voorwaarden, althans (ii) dat de man door het verrichten van deze betalingen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis.
Het hof verwerpt beide verweren en overwoog dat het aflossingsdeel van de hypotheek en de premies voor de levensverzekering niet behoren tot de kosten van de huishouding. Betaling van de aflossingen en premies leidt tot vermogensvorming. Verder overwoog het hof dat naar objectieve maatstaf moet worden beoordeeld of op het moment van het verrichten van de prestatie, mede gelet op de wederzijdse welstand en behoefte van partijen, sprake is van een natuurlijke verbintenis. Bepalend is de situatie van partijen op het moment waarop de betaling werd verricht. De vrouw beschikte in 2006 over een vermogen van +/- € 190.000. Van een traditionele rolverdeling op grond waarvan een verzorgingsgedachte van de man jegens de vrouw aangenomen dient te worden, was geen sprake. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat (i) de aflossing en de premies geen kosten der huishouding zijn en (ii) de man niet heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw? |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Tot de kosten der huishouding (art. 1:84 BW) moeten in het algemeen worden gerekend hetgeen in het huishouden verteerd of verbruikt wordt en hetgeen ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven (vgl. Kamerstukken II 2001-2002, 27 554, nr. 5, p. 5). Daartoe behoren wat betreft de huisvestingskosten in het bijzonder huurtermijnen alsmede rentebetalingen ter zake van de met geleend geld verworven echtelijke woning. Daarentegen kunnen in beginsel noch het aflossingsdeel van hypothecaire betalingsverplichtingen, noch de verschuldigde premie voor een levensverzekering die ertoe strekt om te zijner tijd met het opgebouwde kapitaal de hypothecaire lening af te lossen, tot de in deze bepaling bedoelde huishoudelijke kosten worden gerekend, nu daarmee primair vermogensopbouw plaatsvindt. Bij huwelijkse voorwaarden kan een van het vorenstaande afwijkende regeling overeengekomen worden, hetgeen niet is gebeurd.
De man stelde dat als gevolg van de door hem verrichte betalingen de hypotheek in 2006 kon worden afgelost, en dat die betalingen aldus mede aan de vrouw ten goede zijn gekomen. De vrouw voerde aan dat de aldus bewerkstelligde vermogensoverheveling aangemerkt moet worden als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Het peilmoment diende volgens de vrouw 1979 te zijn en volgens de man 2006. In 2006 zou de vrouw naar objectieve maatstaven geen behoefte aan verzorging hebben gehad.
De levensverzekering stond op naam van de man, zodat de vermogensop-bouw als gevolg van de door hem verrichte periodieke premiebetalingen in beginsel aan hem toekwam. De polis was echter gekoppeld aan de hypotheek waarvoor beide echtgenoten verbonden waren, en strekte ertoe te zijner tijd de hypothecaire lening af te lossen met het opgebouwde kapitaal. In 2006 kon met de polis de hypotheek worden afgelost. Dat moment is bepalend voor het antwoord op de vraag of naar objectieve maatstaven sprake is van een natuurlijke verbintenis. Op dat moment vond immers de vermogensoverheveling plaats doordat met het vrijkomende kapitaal uit de op naam van de man staande polis de (op beider naam staande) hypotheek werd afgelost, waardoor de mede aan de vrouw toekomende overwaarde van de woning toenam. Aan hantering van deze peildatum staat niet in de weg dat het uitgekeerde kapitaal uit de levensverzekering in de loop der jaren is opgebouwd door de periodieke premiebetalingen. Gelet op de door beide partijen verdedigde peilmomenten is het hof aldus ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
|
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|