Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-314 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BM3919, 09/02510 |
| Onderwerp: |
Faillissement |
| Artikelen: |
Art. 81 RO |
| |
|
| Casus: |
Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 december 2006 is ten aanzien van verzoekster de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. De schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris bij vonnis van die rechtbank van 26 november 2009 beëindigd, waarbij de rechtbank tevens heeft vastgesteld dat verzoekster in staat van faillissement verkeert zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft verzoekster hoger beroep ingesteld. Nadat op 5 januari 2010 de mondelinge behandeling had plaatsgevonden, heeft het hof 's-Gravenhage bij arrest van 12 januari 2010 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Tegen dit arrest heeft verzoekster bij rekest van 19 januari 2010, dat op diezelfde dag ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen, (tijdig) cassatieberoep ingesteld. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
In cassatie komen enkele motiveringsvragen aan de orde. |
| |
|
| Beslissing: |
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|