Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-283 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BN0763, 08/03693 |
| Onderwerp: |
Onteigeningsrecht |
| Artikelen: |
Art. 40c, aanhef en onder 3; 41; 45l lid 1; 50; 52 lid 2; 54t lid 1Ow |
| |
|
| Casus: |
In deze zaak is de onteigening zelf niet langer in discussie. De strijd gaat nog alleen om de vergoeding van de onteigeningsschade en de kosten van juridische en andere deskundige bijstand (Markus-Matser-leer).
De Provincie heeft tegen eiser een procedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt, waarin zij op de voet van artikel 54f e.v. Ow vervroegde onteigening heeft gevorderd en een schadeloosstelling ten behoeve van eiser vast te stellen. Bij tussenvonnis spreekt de rechtbank bij vervroeging de onteigening uit en bepaalt zij het totaal uit te betalen voorschot op de schadeloosstelling op € 202.865,40 en benoemt zij voorts een rechter-commissaris en voor het uitbrengen van een advies omtrent de schadeloosstelling drie deskundigen. Het bewuste tussenvonnis is in de openbare registers ingeschreven.
In een tussenvonnis na deskundigenrapport, geeft de rechtbank omtrent een aantal geschilpunten aangaande de aan te houden waarde van het onteigende per peildatum al een oordeel, maar houdt zij de beslissing dienaangaande aan in afwachting van een nadere toelichting van de deskundigen op de door hen ter bepaling van de waarde van het onteigende uitgevoerde vergelijking met andere transacties. Ook geeft de rechtbank reeds een oordeel over de posten waardevermindering van het overblijvende en bijkomende vergoedingen. Na uitbrenging van de nadere toelichting spreekt de rechtbank het eindvonnis uit. Zij stelt, blijvende bij een aantal beslissingen in het eerdere tussenvonnis en uitgaande van een vierkante meterprijs van € 40,-, de door de Provincie verschuldigde schadeloosstelling vast op € 149.500,-, en veroordeelt de onteigende tot terugbetaling van hetgeen zij teveel aan voorschot heeft ontvangen.
Beide partijen komen in cassatie. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Moet de invloed van het op een peildatum nog in procedure zijnde bestemmingsplan worden geëlimineerd? |
| |
|
| Beslissing: |
De klacht dat de rechtbank aldus een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de verwerping van het standpunt van eiser dat de invloed van het op de peildatum nog in procedure zijnde bestemmingsplan moet worden geëlimineerd, slaagt. De hiervoor geciteerde door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden laten onverlet de - in het licht van de nrs. 4.13.1 en 4.13.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal allerminst denkbeeldige - mogelijkheid dat de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven verkeersbestemming bepaald is door een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand (concreet) plan voor de reconstructie van de N209 ter plaatse van onder meer het onteigende en dat het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk moet maken. Als dat het geval is, moet het op de peildatum in procedure zijnde bestemmingsplan in zoverre worden aangemerkt als behorende tot de in art. 40c, aanhef en onder 3º, bedoelde plannen zodat de waardeverminderende invloed daarvan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing zal moeten blijven.
De Hoge Raad verklaart eiser c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2007; vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juni 2008; verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.
|
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|