Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-278 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BM6412, 10/00433 |
| Onderwerp: |
Familierecht; vervangende toestemming voor emigratie, afwijzing |
| Artikelen: |
Art. 81 RO |
| |
|
| Casus: |
Uit de relatie van partijen is in 2006 een zoon geboren. De vader heeft de zoon erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit. De vader heeft twee dagen per week contact met de zoon. De moeder wil naar Singapore emigreren en de zoon meenemen. De vader heeft voor hiervoor geen toestemming gegeven en daarom verzoekt de moeder op grond van artikel 1:253a BW de Rechtbank om vervangende toestemming. Bij beschikking van 27 mei 2009 wijst de Rechtbank het verzoek af. In hoger beroep bekrachtigt het Hof bij beschikking van 3 november 2009 de bestreden beschikking. De moeder stelt cassatieberoep in. Zij klaagt onder andere dat het Hof onvoldoende oog heeft gehad voor het fundamentele recht van de vrijheid van verplaatsing (art. 2 lid 1 van het Vierde Protocol bij het EVRM & art. 12 lid 1 IVBPR). |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Is de afwijzing van vervangende toestemming van emigratie van de verzorgende ouder met kind in strijd met het recht ‘de vrijheid van verplaatsing’?
|
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (r.o. 3.).
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep.
|
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|