Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-275 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BM5703, 09/03414 |
| Onderwerp: |
Familierecht; kinderalimentatie, draagkracht |
| Artikelen: |
- |
| |
|
| Casus: |
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn drie nog minderjarige kinderen geboren. De rechter heeft ten laste van de vader kinderalimentatie vastgesteld ter hoogte van € 100,- per kind per maand. De vader heeft het bedrag dat hij had ontvangen ter zake van de boedelverdeling en verkoop van de echtelijke woning, aangewend voor de aankoop van een woning en weiland. Voor de financiering van deze aankoop heeft hij voorts hypothecaire leningen afgesloten. De vader verzoekt de Rechtbank om het alimentatiebedrag op nihil te stellen. De moeder verzoekt echter om verhoging van het alimentatiebedrag. De Rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op € 146,66 per kind per maand. In hoger beroep stelt het Hof de kinderalimentatie vast op € 14,-- vanaf 24 april 2007 en op € 23,-- vanaf 1 januari 2008, telkens per kind per maand. De moeder stelt cassatieberoep in.
|
| |
|
| Rechtsvraag: |
Welke gevolgen dienen bij de vaststelling van de draagkracht te worden aan de omstandigheid dat de onderhoudsplichtige vader een groot deel van zijn vermogen heeft aangewend voor de aankoop van een woning en een weiland en met het oog op deze aankoop hypothecaire geldleningen is aangegaan? |
| |
|
| Beslissing: |
Het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn beslissing omtrent de draagkracht van de man in verband met het vermogen, ontoereikend gemotiveerd. In de eerste plaats heeft het Hof bij de bepaling van de draagkracht van de man miskend dat het niet alleen gaat om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. In de tweede plaats is de vaststelling door het Hof dat het vermogen van de man niet liquide is, een onvoldoende weerlegging van het standpunt van de vrouw. Zij heeft immers betoogd dat de man gelet op zijn onderhoudsverplichting dit bedrag niet onrendabel had mogen maken door het te investeren in een (te dure) woning. Het standpunt van de vrouw komt erop neer dat de man wel het door de Rechtbank vastgestelde bedrag per kind had kunnen betalen als hij zijn vermogen had belegd op een zodanige wijze dat hij daaruit en redelijk rendement verkreeg. Ten slotte heeft het Hof bij zijn beantwoording van de vraag of de woonlasten van de man redelijk zijn, eraan voorbijgezien dat deze woonlasten niet alleen worden bepaald door de rente die de man verschuldigd is over de door hem gesloten hypothecaire leningen, maar ook door (het gemiste rendement op) het vermogen dat hij in zijn woning heeft geďnvesteerd. In zoverre is het oordeel van het Hof dat de man naast zijn volgens het Hof reeds te hoge hypothecaire lasten, een aanzienlijk vermogen in zijn woning mag investeren en daardoor volgens zijn stelling slechts in zeer beperkte mate aan zijn onderhoudsverplichting kan voldoen, onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders door de overweging van het Hof dat de man ten tijde van de investering aan zijn verplichtingen voldeed, nu het Hof niet heeft vastgesteld dat de man ook in redelijkheid kon menen dat hij ondanks deze investering aan die verplichting zou kunnen blijven voldoen. In elk geval verdiende daarbij nadere motivering waarom van de man niet gevergd kan worden dat hij een in zijn verhouding tot zijn inkomen klaarblijkelijk te dure woning van de hand doet, met als gevolg dat het levensonderhoud van de kinderen vrijwel geheel door de vrouw moet worden gedragen (ro 3.4 t/m 3.6).
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het Hof. De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|