Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2002-77 |
| |
|
| Instantie: |
HR 22 februari 2002, AD5356, C00/227HR |
| Onderwerp: |
Onrechtmatige daad, ongeval, geestelijk letsel, overlijdensschade, shockschade, affectieschade |
| Artikelen: |
Art. 6:95, 106, 107, 108, 162, 163 BW en 8 EVRM |
| |
|
| Casus: |
Wanneer een taxibus op een woonerf achteruit rijdt, rijdt hij een vijfjarig meisje op haar fietsje aan en rijdt vervolgens met de achterwielen over het hoofd van het gevallen meisje heen. Haar schedel raakt daarbij zo ernstig beschadigd dat de schedelinhoud naast haar hoofd op het wegdek terechtkomt. Haar gewaarschuwde moeder komt kijken en ziet de schedelinhoud aan voor braaksel. Wanneer zij het hoofd van haar kind wil omdraaien, verdwijnt haar hand vrijwel geheel in de schedel. Een en ander leidt tot ernstig geestelijk letsel van de moeder. De moeder vordert van de WAM-verzekeraar van de taxibus (Woudsend) vergoeding van haar materiële schade zoals therapiekosten e.d. en ook van haar immateriële schade. Het Hof geeft – kort gezegd - aan dat de wet (art. 6:108) weliswaar geen mogelijkheid geeft voor vergoeding van de schade door de dood van het meisje (zgn. affectieschade), maar dat hier sprake is van schade veroorzaakt door iets anders dan de dood van haar dochter, namelijk schade door de confrontatie met de gruwelijke, schokkende gevolgen van de gebeurtenis (zgn. shockschade). De (door de taxichauffeur geschonden) verkeersnormen strekken mede tot bescherming van de moeder tegen zodanige shockschade. De taxichauffeur heeft aldus onrechtmatig jegens de moeder gehandeld en de moeder is door het hierdoor ontstane geestelijke letsel in haar persoon aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, aldus het Hof. Naast de materiële schade komt voor vergoeding in aanmerking: het leed door het geestelijk letsel & het verdriet als gevolg van de confrontatie (met de andere gevolgen van het voorval dan de dood), maar niet het verdriet wegens het overlijden van de dochter. Het Hof stelt met het oog hierop een bedrag van fl. 30.000,-- vast voor de vergoeding voor immateriële schade. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
1. Is voor toekenning van shockschade vereist dat het slachtoffer van de schok rechtstreeks met het ongeval is geconfronteerd, m.a.w. ten tijde van de gebeurtenis aanwezig was? 2. Leidt het onderscheid tussen het – vergoedbare - geestelijk letsel veroorzaakt door iets anders dan de dood of het letsel van het slachtoffer en het – niet-vergoedbare - (onvermijdelijk daaraan verbonden) geestelijke letsel als gevolg van de dood van het slachtoffer niet tot een te onbepaald criterium, danwel rechtsongelijkheid, danwel tot miskenning dat het geestelijk letsel het gevolg is van de samenloop van zowel het ernstige een aangrijpende letsel als de daarmee verbonden dood van – in dit geval - het kind? 3. Moet affectieschade naar huidig recht niet toch worden vergoed (incidenteel beroep)? |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad beantwoordt de eerste rechtsvraag ontkennend. Voldoende is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds (het creëren van een gevaarlijke situatie door het overtreden van de normen die voor het verkeersgedrag gelden) en anderszijds het geestelijk letsel dat een derde oploopt door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen. De aard van shockschade brengt mee dat deze in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (i) de betrokkene al dan niet (kort) na het voorval rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden en, (ii) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt (r.o. 5.2). Bij de tweede rechtsvraag stelt de Hoge Raad voorop dat het Hof aangeeft dat aan toekenning van vergoeding voor shockschade niet aan de weg staat dat ook verdriet is ontstaan door het letsel en de dood van het kind. Het is wel zo dat de rechter daarmee rekening moet houden bij het naar billijkheid schatten van de omvang van het smartengeld. De Hoge Raad acht dit juist: degene die door de confrontatie met de gevolgen van het ongeval geestelijk letsel heeft opgelopen, heeft te dier zake recht op schadevergoeding, ook voor zover van een samenloop sprake is. De rechter zal aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs een afweging moeten maken in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding met deze samenloop rekening wordt gehouden (r.o. 5.4). Terzake de derde rechtsvraag geeft de Hoge Raad aan dat de rechter niet vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging terzake affectieschade, vergoeding van affectieschade kan toekennen. Zo is al niet bekend welke grenzen de wetgever daarbij dan zou willen hanteren (r.o. 6.1 en 4.2). Ook faalt volgens de Hoge Raad de stelling van de moeder dat art. 8 EVRM (recht op eerbiediging van family life) ertoe zou leiden dat affectieschade wel vergoed moet worden en artikel 6:108 om die reden opzijgezet moet worden (zie uitgebreid r.o. 6.3). De Hoge Raad verwerpt dan ook zowel het principale als het incidentele beroep. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|