Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2002-4 |
| |
|
| Instantie: |
HR 11 januari 2002, AD4926, C00/127HR |
| Onderwerp: |
Vermogensrecht, onrechtmatige daad, verkeersongeval, omkeringsregel |
| Artikelen: |
Art. 6:162 BW, 177 Rv |
| |
|
| Casus: |
Een aanrijding vindt plaats tussen de op gladde banden rijdende verweerster en de verzekerde van Zürich. Zürich vergoedt de schade van haar verzekerde maar wil dit verhalen op verweerster omdat zij plotseling naar links zou zijn uitgeweken terwijl zij werd ingehaald. Zürich meent dat op haar terzake geen bewijslast rust. Wijzend op de zgn. omkeringsregel stelt Zürich dat verweerster door het rijden op gladde banden het gevaar voor verkeersongevallen heeft vergroot en nu dit gevaar zich in de vorm van het ongeval heeft verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen deze overtreding en het ongeval is gegeven (behoudens tegenbewijs). Rechtbank en Hof gaan hierin niet mee omdat gladde banden ‘slechts’ het gevaar van slippen vergroten en niet vaststaat noch door Zürich is gesteld dat het ongeval door slippen is veroorzaakt. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Zürich lijkt de Hoge Raad de vraag voor te leggen of bij een onrechtmatige gedraging waardoor een algemeen gevaar (in dit geval het gevaar voor verkeersongevallen) wordt vergroot, de verwezenlijking van dit – algemene – gevaar voldoende is voor het vaststellen van causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en het – in dit geval - verkeersongeval. |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad verwerpt het beroep - onder verwijzing naar artikel 101a RO - zonder nadere motivering. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|