Home   Jurisprudentie @ctueel JWB Rechtspraak Wetgeving @ctueel Informatie

Samenvatting

Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2001-34
   
Instantie: HR 26 januari 2001, AA9666, C99/110HR
Onderwerp: Arbeidsongeval, bewijslast, ,
Artikelen: Art. 7:658 BW, 177 Rv
   
Casus: Een inmiddels overleden werknemer (hierna: de erflater) heeft van 1972-1989 in verschillende functies en locaties voor De Schelde gewerkt. Bij hem is een mesothelioom geconstateerd. De erflater stelt dat de oorzaak hiervan - blootstelling aan asbeststof - bij De Schelde heeft plaatsgevonden en spreekt deze aan uit hoofde van (thans) art. 7:658. De Kantonrechter wijst de vordering af omdat niet is bewezen dat de erflater tijdens zijn werkzaamheden bij De Schelde daadwerkelijk aan asbeststof is blootgesteld. De Rechtbank geeft in hoger beroep aan dat slechts de daadwerkelijke blootstelling en niet de mogelijkheid van blootstelling mesothelioom veroorzaakt en dat de Kantonrechter derhalve terecht heeft overwogen dat de erflater de daadwerkelijke besmetting moet bewijzen.
   
Rechtsvraag: Aan de Hoge Raad wordt voor de eerste keer de vraag voorgelegd welke regels van stelplicht en bewijslast ten aanzien van de blootstelling aan asbeststof gelden.
   
Beslissing: De Hoge Raad geeft aan dat art. 7:658 de schade betreft die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt en niet de schade die de werknemer heeft geleden, maar waarvan niet vaststaat dat dit in de uitoefening van zijn werkzaamheden is gebeurd (r.o. 3.4). Dit is niet anders wanneer een werknemer op verschillende plaatsen binnen het bedrijf werkzaam was. Hieruit kan immers eveneens niet worden afgeleid dat hij daadwerkelijk in de uitoefening van zijn werkzaamheden aan asbeststof is blootgesteld (r.o. 3.5).
Het is aan de werknemer om te bewijzen dat hij daadwerkelijk aan asbeststof is blootgesteld. In beginsel geldt hier de hoofdregel van art. 177 Rv. De strekking van art. 7:658 brengt geen afwijking in stelplicht en bewijslast mee in zaken waar blootstelling aan asbest speelt (r.o. 3.6). Evenmin moet worden geoordeeld dat de ongeschreven regels van bewijslastverdeling en/of de eisen van redelijkheid en billijkheid omkering van de bewijslast meebrengen, omdat de werknemer op verschillende functies zou hebben gewerkt. Immers, de werknemer is in staat (gebleken) aan te geven waar hij heeft gewerkt. Niet gesteld noch gebleken is dat hij minder mogelijkheden heeft om evt. asbestblootstelling op de locaties aan te tonen dan De Schelde (r.o. 3.8). Tenslotte beslist de Hoge Raad dat art. 7:658 geen zodanige stelplicht met zich meebrengt dat de werkgever aanknopingspunten moet leveren voor bewijslevering door de werknemer. Hetgeen hiervoor is weergegeven omtrent de bewijslast geldt immers eveneens voor de stelplicht (r.o. 3.9). De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.
   
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

 

 

Copyright Footer