Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2001-119 |
| |
|
| Instantie: |
HR 13 april 2001, AB1065, C99/215HR |
| Onderwerp: |
Bewijslastverdeling, kop-staartbotsing, , |
| Artikelen: |
Art. 177 Rv |
| |
|
| Casus: |
Verweerder in cassatie ziet - terwijl hij met zijn auto over de provinciale weg rijdt - een eend naar zijn weghelft lopen, neemt naar eigen zeggen gas terug en remt daarna. De WAM-verzekerde van Stad Rotterdam rijdt hem van achteren aan. Verweerder stelt Stad Rotterdam (eiseres tot cassatie) aansprakelijk. De Rechtbank acht de door verweerder gestelde toedracht niet geloofwaardig en meent dat deze door zijn handelwijze een plotseling onverwacht gevaar in het leven heeft geroepen waarop de WAM-verzekerde van Stad Rotterdam niet tijdig meer kon reageren. De vordering wordt afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof overwogen dat vaststaat dat de WAM-verzekerde van Stad Rotterdam zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en dat Stad Rotterdam derhalve de door haar gestelde toedracht – dat verweerder door zijn handelwijze een plotseling onverwacht gevaar in het leven heeft geroepen – bewijst. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Het cassatiemiddel keert zich tegen voornoemde bewijslastverdeling van het Hof. |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 177 Rv. bepaalt dat de bewijslast van de feiten die volgens verweerder leiden tot aansprakelijkheid van Stad Rotterdam op hem rust. Uit de overweging van het Hof blijkt niet of het Hof van deze hoofdregel is uitgegaan. Mocht het Hof dat niet hebben gedaan, dan is het Hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Is het Hof wel van deze hoofdregel uitgegaan, maar van mening dat sprake dient te zijn van een uitzondering op deze regel, dan heeft het zijn beslissing niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In de gegeven omstandigheden is het enkele feit dat de WAM-verzekerde zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft kunnen brengen, geen toereikende motivering. Zonder nadere redengeving – en deze ontbreekt – is het oordeel onbegrijpelijk dat gezien het feit dat de verzekerde van Stad Rotterdam met zijn auto tegen de achterzijde van verweerder is gebotst, de door verweerder gestelde toedracht voorshands vaststaat (r.o. 3.2). De Hoge Raad vernietigt het arrest. De A-G heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|