Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2000-85 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juni 2000, AA6159, C98/357HR |
| Onderwerp: |
RWW-uitkering, onzorgvuldig handelen, betaling, griffierecht |
| Artikelen: |
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers |
| |
|
| Casus: |
De eiser in cassatie heeft van de gemeente Heeswijk-Dinther, de verweerder in cassatie, een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers ontvangen. Deze uitkering werd door de gemeente ingetrokken, omdat de eiser in cassatie niet meer als werkloos in de zin van de Rijksgroepsregeling aangemerkt kon worden. Bij de intrekking werden de ten onrechte betaalde uitkeringen teruggevorderd. Hiertegen heeft de eiser in cassatie bezwaar ingediend, dat deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond werd verklaard. Het beroep daartegen werd door de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant ongegrond verklaard. De voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de RvS heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet tijdig werd ontvangen. De eiser in cassatie is van mening dat de gemeente onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld door het griffierecht niet tijdig te betalen. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
In cassatie staat de vraag centraal of het Hof tot de conclusie heeft kunnen komen dat de gemeente mocht aannemen dat het griffierecht tijdig door de RvS ontvangen zou worden. |
| |
|
| Beslissing: |
De Rechtbank heeft de vordering van de eiser in cassatie, dat er sprake zou zijn van onrechtmatig handelen van de gemeente bestaande in het niet tijdig betalen van het griffierecht, afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad is van mening dat het Hof tot de conclusie heeft kunnen komen dat naar de algemene ervaringsregel (4 dagen tussen de dag van betalingsopdracht en de dag van de ontvangst van de betaling) de gemeente mocht verwachten dat het griffierecht tijdig door de RvS ontvangen zou worden. De Hoge Raad verwerpt het beroep. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|