Home   Jurisprudentie @ctueel JWB Rechtspraak Wetgeving @ctueel Informatie

Samenvatting

Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2000-118
   
Instantie: HR 14 juli 2000, AA6526, C99/128HR
Onderwerp: eigen schuld, onrechtmatige daad, verkeersaansprakelijkheid,
Artikelen: Art. 6:101 BW; 6:162 BW; 31 (oud) WVW
   
Casus: Eiser is met zijn fiets bij het linksaf slaan door een tram aangereden en ernstig gewond geraakt. Hij spreekt op grond van onrechtmatige daad de trambestuurder en de Haagsche Tramweg-Maatschappij (HTM) aan tot schadevergoeding. Vaststaat dat eiser geen richting heeft aangegeven en dat de trambestuurder, omdat fietsers wel vaker op dat punt linksaf slaan, meermalen heeft gebeld. De Rechtbank neemt aansprakelijkheid aan, maar het Hof wijst de vordering af. Omdat eiser niet had gereageerd op de belsignalen van de trambestuurder bestond voor deze geen specifieke aanleiding om rekening te houden met een mogelijk linksaf slaan van eiser. De trambestuurder was dan ook niet gehouden zijn weggedrag aan te passen aan die mogelijkheid. Het Hof overweegt verder dat uit getuigenverklaringen van andere trambestuurders niet valt af te leiden dat dezen er rekening mee houden dat fietsers op dat punt linksaf zullen slaan. Op grond van art. 6:162 BW is er dan ook geen aansprakelijkheid. Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de analoge (een tram is geen motorrijtuig in de zin van die wet) toepasselijkheid van art. 31 (oud) WVW bestaat evenmin aansprakelijkheid. Het weggedrag van eiser is zo onwaarschijnlijk dat de trambestuurder met de mogelijkheid ervan naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden bij het bepalen van zijn eigen verkeersgedrag.
   
Rechtsvraag: In cassatie keert eiser zich tegen het oordeel van het Hof dat de trambestuurder bij het bepalen van zijn rijgedrag geen rekening ermee behoefde te houden dat eiser linksaf zou slaan.
   
Beslissing: De Hoge Raad stelt voorop dat gezien de bescherming die kwetsbare verkeersdeelnemers als voetgangers en fietsers behoeven in verband met de ingrijpende gevolgen die een botsing met een tram voor hen kan hebben, de bestuurder van een tram ten opzichte van die verkeersdeelnemers dezelfde mate van zorgvuldigheid dient te betrachten als wordt verlangd van bestuurders van een motorrijtuig. Dit betekent dat de trambestuurder bij het bepalen van zijn rijgedrag rekening moet houden met fouten van bedoelde weggebruikers, tenzij deze fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat hij daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden (r.o. 4.1). De middelen van eiser treffen vervolgens doel. Het feit dat eiser niet reageerde op het bellen rechtvaardigt niet de conclusie dat hij niet linksaf zou slaan. De interpretatie van de getuigenverklaringen van het Hof is verder onbegrijpelijk (r.o. 4.2).
De Hoge Raad casseert en verwijst de zaak terug. Met het oog op de proceseconomie overweegt de Hoge Raad dat bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding toepassing van de in HR 28 februari 1992, nr. 14628, NJ 1993, 566 aanvaarde “50%-regel” tot uitgangpunt dient te worden genomen (r.o. 6).
   
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

 

 

Copyright Footer