Home   Jurisprudentie @ctueel Juridisch Nieuws JWB Rechtspraak Wetgeving @ctueel  Webgids  Informatie

Samenvatting

Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2010-306
   
Instantie: HR 9 juli 2010, BM3952, 09/00339
Onderwerp: Subrogatie; betekenis 'vorderingen tot schadevergoeding op derden ter zake van door de verzekerde geleden schade’
Artikelen: Art. 7:962 BW, 6:175 BW, 6:102 BW, 6:10 BW, 6:12 BW
   
Casus: Betrokkene 1 heeft op bij een bouwproject brand gesticht waarbij gebruik is gemaakt van een blik brandbare reinigingsvloeistof dat op de bouwplaats is achtergelaten door medewerkers van A. CAR-verzekeraars van het bouwpro-ject hebben de schade vergoed. De CAR-verzekeraars hebben verhaal gezocht op betrokkene 1, die op zijn beurt RVS als zijn aansprakelijkheidsverzekeraar heeft aangesproken. RVC heeft de schade aan de CAR-verzekeraars vergoed.

RVS meent dat A in verband met het blik met reinigingsvloeistof onzorgvuldig heeft gehandeld en behalve daardoor ook op grond van artikel 6:175 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de aangerichte schade, dat A tegenover betrokkene 1 gehouden is dat deel van de schade voor zijn rekening te nemen dat A in de verhouding tot betrokkene 1 aangaat (artikelen 6:102 en 6:10 BW) en dat RVS door het voor betrokkene 1 vergoeden van de schade aan de CAR-verzekeraars in de rechten van betrokkene 1 op A is gesubrogeerd. De rechtbank en het hof wijzen de vordering af.
   
Rechtsvraag: Heeft het hof miskend dat onder het begrip 'schade' in 7:962 BW ook begrepen is schade die daarin bestaat dat de verzekerde aansprakelijk wordt gesteld? Heeft het hof miskend dat onder 'vorderingen tot schadevergoeding op derden ter zake van door de verzekerde geleden schade' als in art. 7:962 bedoeld ook is begrepen het verhaalsrecht dat de verzekerde ontleent aan art. 6:10 en 6:12?
   
Beslissing: De Hoge Raad vernietigt het arrest.
Vooropgesteld wordt dat in cassatie tot uitgangspunt moet dienen dat betrokkene 1 en A op de voet van art. 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de brandschade. Voorts dat het hof zijn oordeel niet hierop heeft doen steunen dat de omstandigheid dat RVS de schadepenningen rechtstreeks aan de CAR-verzekeraars heeft uitgekeerd (a) zou meebrengen dat de desbetreffende schuld niet ten laste van betrokkene 1 zou zijn gedelgd in de zin van art. 6:10 en 6:12 BW, of (b) in de weg zou staan aan subro-gatie.

Een hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar wiens aansprakelijkheidsverze-keraar de schade heeft vergoed, staat voor de toepassing van art. 6:10 en 6:12 gelijk met een schuldenaar die de schade uit zijn eigen vermogen heeft vergoed, zodat ook in dat geval de schuld ten laste van hem is gedelgd in de zin van die bepalingen, ongeacht bovendien of die assuradeur de schadepenningen aan de schuldenaar, als zijn verzekerde, of rechtstreeks aan de schuldeiser heeft uitgekeerd. Die omstandigheden houden immers verband met het bestaan van de aansprakelijkheidsverzekering van de betrokken schuldenaar, die zijn medeschuldenaren niet aangaat en waarvan zij niet behoren te profiteren.

De schade die RVS krachtens de aansprakelijkheidsverzekering voor betrokkene 1 heeft vergoed is schade van betrokkene 1 zelf, te weten de brandschade waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk was. Die aansprakelijkheid zou, was van de verzekering geen sprake geweest, hebben meegebracht dat betrokkene 1 het volle bedrag van die schade aan de – door subrogatie in de rechten van de benadeelden getreden – CAR-verzekeraars had dienen te vergoeden, waarna hij, op de voet van art. 6:10 en 6:12, verhaal op A zou hebben kunnen zoeken voor dat gedeelte van de schade dat A in hun onderlinge verhouding aangaat. Die verhaalsvordering moet worden aangemerkt als een 'vordering tot schadevergoeding ter zake van door de verzekerde geleden schade' als bedoeld in art. 7:962.

Een andersluidende opvatting zou bovendien niet verenigbaar zijn met het bepaalde in art. 6:197 lid 2, aanhef en onder a, BW welke bepaling met betrekking tot de daarin vermelde aansprakelijkheden subrogatie krachtens art. 7:962 uitsluit, behalve in gevallen waarin de verzekeraar de uitkering heeft verricht op grond van een aansprakelijkheidsverzekering en sprake is van een mede-aansprakelijke derde. Die opvatting zou bovendien de mede-aansprakelijke schuldenaar A laten profiteren van de door betrokkene 1 gesloten verzekering, terwijl art. 7:962 juist een dergelijk profiteren beoogt te voorkomen.

Het vorenstaande brengt mee dat RVS als gevolg van haar betaling van de volledige schadevergoeding aan de CAR-verzekeraars, ingevolge art. 7:962 is gesubrogeerd in de rechten die betrokkene 1 tegenover A ontleent aan art. 6:10 en 6:12, derhalve in diens aanspraak op betaling van dat gedeelte van de brandschade dat in hun onderlinge verhouding A aangaat.
   
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

 

 

Copyright Footer