Home   Jurisprudentie @ctueel Juridisch Nieuws JWB Rechtspraak Wetgeving @ctueel  Webgids  Informatie

Samenvatting

Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2010-302
   
Instantie: HR 9 juli 2010, BM2337, 09/02434
Onderwerp: Faillissementsrecht, procesrecht, niet-ontvankelijkheid, datum van beslissing
Artikelen: Art. 157 lid 1 Rv, art. 351 lid 1 Fw
   
Casus: Ten aanzien van de verweerder in cassatie is bij een vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. De rechter-commissaris heeft een voordracht gedaan tot wijziging van het saneringsplan en beëindiging zonder toekenning van de schone lei. De verzoekster tot cassatie heeft een verzoekschrift tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gedaan. De rechtbank heeft de voordracht en het verzoekschrift ter zitting van de rechtbank op 12 maart 2008 en 11 december 2008 behandeld. In het proces-verbaal van de zitting van 11 december 2008 staat vermeld dat de rechtbank op 17 december 2008 uitspraak zal doen. De rechtbank heeft de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling geweigerd met als de datum van de uitspraak 17 december 2008. Het hof heeft de verzoekster tot cassatie niet-ontvankelijk verklaard in het door haar bij een verzoekschrift van 23 december 2008 gedane hoger beroep, omdat het vonnis van de rechtbank op 11 december 2008 is uitgesproken.

   
Rechtsvraag: In cassatie komt de ontvankelijkheid van het appel in casu aan de orde. In het bijzonder staat de vraag centraal op welk moment de beroepstermijn van art. 351 lid 1 Fw een aanvang neemt.
   
Beslissing: De Hoge Raad wijst erop dat het hof tot juist uitgangspunt heeft genomen dat onder de dag van de uitspraak verstaan wordt de dag waarop de rechterlijke beslissing openbaar wordt. (r.o. 4.3.2.) De Hoge Raad is echter van oordeel dat het hof kennelijk niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de bewijskracht van het proces-verbaal van de zitting en van het vonnis. Een proces-verbaal en een vonnis zijn authentieke akten waaraan ingevolge art. 157 lid 1 Rv tegenover een ieder dwingende bewijskracht toekomt met betrekking tot hetgeen daarin door de rechter en door de griffier is verklaard omtrent hun waarnemingen en verrichtingen ter zitting. Dit betekent dat het hof had moeten uitgaan van de juistheid van de inhoud van deze stukken, behoudens tegenbewijs.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.
   
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

 

 

Copyright Footer