Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-293 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BM3891, 08/04837 |
| Onderwerp: |
Bestuurdersaansprakelijkheid |
| Artikelen: |
Art. 2:203 lid 3 BW; 81 RO |
| |
|
| Casus: |
In deze zaak heeft het hof een bestuurder aansprakelijk geacht op grond van onrechtmatige bekrachtiging van een vóór oprichting van de vennootschap verrichte rechtshandeling, nu hij ten tijde van de bekrachtiging wist, althans redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap de verplichtingen uit de bekrachtigde rechtshandeling niet zou kunnen nakomen. Tegen dit oordeel van het hof richten zich in cassatie diverse rechts- en motiveringsklachten. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
Zijn er omstandigheden die het handelen van de betreffende bestuurder rechtvaardigen of verontschuldigen? |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie. De in het middel aangevoerde klachten kunnen volgens hem niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|