Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-290 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BM3975, 09/01386 |
| Onderwerp: |
WSNP |
| Artikelen: |
Art. 287a Fw |
| |
|
| Casus: |
Verweerder, ten tijde van het wijzen van 's hofs arrest een 46-jarige alleenstaande man zonder kinderen, die door een ongeval hersenletsel heeft opgelopen en nooit veel meer inkomen zal genieten dan op bijstandsniveau, heeft zijn vijf schuldeisers een minnelijk akkoord aangeboden inhoudende dat ongeveer 4,95% van de vorderingen zal worden betaald door gedurende 36 maanden onder toezicht van (een schuldhulpverlener van) de stichting Vorkmeer te sparen. De vijf schulden bedragen in totaal € 25.828,56. De vordering van UWV beloopt € 15.676,90; 4,95% daarvan komt overeen met € 776,-. De vorderingen van UWV op [verweerder] zijn ontstaan omdat laatstgenoemde niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenplicht. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
In deze zaak is met name de vraag aan de orde of op grond van art. 287a Fw UWV kan worden bevolen mee te werken aan de door verweerder voorgestelde schuldregeling in een geval waarin - kort gezegd - 'steunfraude' gespeeld heeft. Zowel rechtbank als hof beantwoordden die vraag bevestigend. Een vervolgvraag is nog of UWV bij bevolen instemming aanspraak kan maken op bevoorrechting. Hier speelt in cassatie een vraag van overgangsrecht. |
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad verwerpt het beroep. Het oordeel van het hof dat aan art. 36d WW en 34a Zw in een geval als het onderhavige geen onmiddellijke werking toekomt, is juist en op goede gronden gegeven. De wet van 8 december 2008 bevat geen bijzondere overgangsrechtelijke bepaling. Op het in art. 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek neergelegde uitgangspunt van onmiddellijke werking houdt onder meer art. 117 lid 4 van die wet als uitzondering in dat de wet niet van toepassing is op de rang van vorderingen op een in staat van faillissement verklaarde schuldenaar, indien zij in werking treedt nadat de rechter-commissaris overeenkomstig art. 108 F. de dag heeft bepaald waarop die vorderingen uiterlijk ter verificatie moeten zijn ingediend. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.22) wordt aan de wet eerbiedigende werking verleend vanaf het tijdstip waarop de onderlinge rangorde van de vorderingen van belang wordt. Dat is in het geval als bedoeld in art. 117 lid 4 het tijdstip van indiening ter verificatie: bij indiening wordt immers opgegeven of de schuldeiser aanspraak maakt op voorrang, zodat de schuldeiser alsdan op zijn rang moet kunnen vertrouwen. Het is in overeenstemming met de ratio van laatstgenoemde bepaling van overgangsrecht om ook ten aanzien van de onderhavige bepalingen eerbiedigende werking te verlenen vanaf het moment waarop de onderlinge rangorde van de vorderingen van belang wordt. Dat is hier het geval op het moment waarop de betreffende schuldeisers instemmen met het aangeboden akkoord. Wanneer zij hebben ingestemd met de schuldregeling op een tijdstip waarop de vordering van UWV nog niet bevoorrecht was, moeten zij immers erop kunnen vertrouwen dat de onderlinge rangorde van de vorderingen nadien niet meer verandert, aangezien dat invloed zou hebben op de uit te keren percentages. |
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|