Samenvatting
| Archiefnummer: |
Jurisprudentie @ctueel 2010-280 |
| |
|
| Instantie: |
HR 9 juli 2010, BM8940, 10/02067 |
| Onderwerp: |
Bopz; machtiging voortgezet verblijf, vrijwillige voortzetting verblijf |
| Artikelen: |
Art. 81 RO |
| |
|
| Casus: |
Betrokkene verblijft vanwege een schizotypische persoonlijkheidsstoornis sinds april 2009 in een psychiatrisch ziekenhuis, aanvankelijk krachtens een inbewaringstelling en later met een rechterlijke machtiging. Op 19 januari 2010 verzoekt de Officier van Justitie de Rechtbank om verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf. Bij beschikking van 22 februari 2010 verleent de Rechtbank de verzochte machtiging tot uiterlijk 22 augustus 2010 (korter dan de wettelijke maximumduur). Betrokkene stelt cassatieberoep in. Zij klaagt onder andere dat het onbegrijpelijk is waarom de Rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de stoornis van haar geestvermogens een gevaar doet veroorzaken dat voldoende ernstig is om een voortzetting van de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen. |
| |
|
| Rechtsvraag: |
In deze Bopz-zaak wordt met motiveringsklachten opgekomen tegen de vaststelling dat de nodige bereidheid ontbreekt en tegen het oordeel dat sprake is van gevaar.
|
| |
|
| Beslissing: |
De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (r.o. 3.).
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep.
|
| |
|
| Opties: |
|
|
|
|
|